Fragment van de akte van belening voor het Huis te Nesse (1410) Bron: www.nationaalarchief.nl/ onderzoeken/archief/3.19.74.

Wist u dat ...

Vroege bewoners

Berthold van Lindescot was in 1131 getuige voor de bisschop van Utrecht, waardoor zijn naam bewaard is gebleven. Maar Linschoten bestond toen al. Aan het vroegere grondgebruik te zien bestond het dorp minstens enkele eeuwen langer. Op verschillende plekken in de omgeving zijn vondsten gedaan uit het begin van de jaartelling die duiden op de aanwezigheid van mensen. Maar veel zullen het er niet geweest zijn, in dat ondoordringbare oermoeras. Alleen langs de rivieren konden mensen zich vestigen. Zoals langs de Lange Linschoten, of beter nog, langs de nu verdwenen rivier die toen langs Montfoort en Linschoten stroomde.

De mens grijpt in

Om het veengebied geschikt te maken voor landbouw, moest de bodem worden drooggemaakt. Door sloten te graven zakte het waterpeil en ontstonden er vruchtbare akkers. Vanaf de Lange Linschoten groef men sloten richting Cattenbroek. De droge grond klonk echter in, waardoor op den duur molens moesten worden geïnstalleerd om het overtollige water weg te pompen.

Ridders en kastelen

Het vruchtbare land had veel meer waarde dan het moerasbos. Dus moest je ervoor zorgen dat het niet door anderen kon worden ingepikt. Door de Hollanders bijvoorbeeld, die op dezelfde wijze hun land aan het ontginnen waren. Vanuit Utrecht werden vier kastelen gebouwd en vanuit Holland twee. Maar de loyaliteit van de kasteelheren wisselde nogal eens. Drie landheren kwamen in een bloedige oorlog om het leven toen zij streden voor de graaf van Holland. De vierde kon zwaargewond terugkeren.

Historische gebouwen

De Linschotense kerk stond er waarschijnlijk al toen Berthold van Lindescot nog leefde. Het had niet veel gescheeld of deze zou vervangen zijn geweest door een 'modern gebouw', dat makkelijker te onderhouden was geweest.
Het Wapen van Linschoten is het oudste nog bestaande burgerlijke gebouw. Dit 'gerechtshuis' diende als rechtbank voor eenvoudige zaken, als vergaderruimte en als kroeg. Later hield de chirugijn er zijn spreekuur. Eromheen moeten vroeger veel andere (houten) huizen hebben gestaan.  Waar heb je anders een gerechtshuis voor nodig?

Onrust


De actieradius van mensen was vroeger vrij klein. De meeste mensen kwamen niet verder dan het dorp zelf en de marktplaatsen daaromheen, waar je gemakkelijk naartoe kon lopen, zoals Woerden, Montfoort en Oudewater. Gebeurtenissen uit deze plaatsen kregen ze dan ook zeker mee, zoals de uitmoording van de helft van de Oudewaterse bevolking in 1575 en de Slag bij het Kruipin (1672) bij Woerden. Duizenden lieten daarbij het leven. Ook bij Linschoten werden boerderijen in brand gestoken.

De heren van Linschoten

Johan Strick, burgemeester van Utrecht, koos voor Linschoten als plek voor zijn luxe buitenverblijf. Hoewel de Vechtstreek en de Heuvelrug veel gangbaarder waren voor dergelijke huizen, zag hij de charme van de locatie wel in. De boerderij die eerst op die plek stond werd afgebroken en het Huis werd in 1637 opgeleverd. De oprijlaan bleef ongemoeid en is dus nog veel ouder.

Nadat het landgoed in de achtste generatie sinds Johan Strick in handen van een Duitse familie is gekomen, verwatert de binding met Linschoten en wordt het Huis verkocht aan de Utrechtse familie Peletier, die het huis betrekken als het ze uitkomt. De laatste telg van de familie regelt in zijn testament dat de bezittingen op het landgoed door een stichting zullen worden beheerd.

Linschoten wordt democratisch

Rond 1795 had Stadhouder Willem V van het landsbestuur een potje gemaakt. Veel vriendjespolitiek, amper daadkracht. Hij was verbannen naar het kasteel Valkhof in Nijmegen. Zijn vrouw Wilhelmina van Pruisen zou wel even verhaal halen in Den Haag, maar haar werd de doorgang belet; zij werd door 'patriotten' in Hekendorp vastgehouden en daarna naar Nijmegen teruggestuurd. Dezelfde patriotten, waaronder Paul Strick van Linschoten, riepen vervolgens de hulp van de Fransen in om Nederland te helpen bij de democratisering. Niet langer zou de adel de baas zijn, maar zou de bevolking het zelf voor het zeggen krijgen. Paul Strick van Linschoten bood de Linschotenaren zijn nederige excuses aan voor het gebruik van zijn adellijke macht.

De 'moderne tijd'

Vanuit ons huidige perspectief is het leven in het midden van de 19e eeuw nogal primitief. Maar voor die tijd waren de ontwikkelingen adembenemend. Door de uitvinding van de stoommachine waren er ineens treinen en steeg de productie in fabrieken en in de landbouw ongekend. De Fransen hadden het bevolkingsregister ingevoerd en bedacht dat daar 'adressen' bij hoorden; straten met huisnummers. Daarom weten we nu nog waar iedereen in Linschoten woonde, hoe de huishoudens waren samengesteld, wat de beroepen waren en wie bij welke kerkgenootschap was ingeschreven. Ook kreeg de overheid meer te zeggen. Zij schreef voor hoe je je diende te gedragen en niet de kerken. Ook onderwijs, gezondheidszorg en armenzorg werden meer taken van de overheid.

De verzuiling zorgde enerzijds voor emancipatie van kerkgenootschappen, die nu eigen scholen, verenigingen, zorgorganisaties, etc. konden oprichten. Maar de verzuiling had ook een keerzijde. Men kocht het brood alleen nog maar van een bakker die van dezelfde kerk was. De bakkers met een minder voorkomende signatuur kregen het moeilijk en moesten uit Linschoten vertrekken. En niet alleen de bakkers.

De Tweede Wereldoorlog

Linschoten is redelijk goed uit de Tweede Werdeldoorlog gekomen. Dankzij de ligging nabij boerderijen en de akkertjes op bijvoorbeeld de Hoge Werf, was er lange tijd genoeg te eten. De Hongerwinter noodzaakte niettemin tot voedseltochten naar Overijssel en Drenthe, waar de Linschotenaten ook lieden uit Montfoort en Oudewater tegenkwamen. Tientallen Linschotenaren zaten in het verzet en vernietigden onder andere de bevolkingsadministratie, zodat de bezetter daar geen misbruik meer van kon maken. De Bevrijding liet lang op zich wachten, maar was uiteindelijk overweldigend, met  Linschotenaren die samen met de net zo opgeluchte Duitse soldaten psalmen zongen in de kerk. Ieder in zijn eigen taal.

De grote groei

Na de Tweede Wereldoorlog kwam de uitbreiding van Linschoten schoorvoetend op gang. In de jaren 50 werden enkele tientallen woningen gebouwd, vooral op de Hoge Werf. Daarna volgden in hoog tempo Linschoten-Noord, Rapijnen en Overvliet, waarna de bouw een tijd lang stil lag.  In een halve eeuw tijd is het aantal woningen verachtvoudigd. Veel nieuwe bewoners kwamen uit andere delen van het land. De dorpse sfeer sprak hen aan, net als de goede bereikbaarheid van de Randstad. Zij brachten wel een andere cultuur met zich mee, waaraan sommigen moesten wennen. Tennissen op zondag? In de gemeenteraad besloot men de veranderingen te accepteren, hoewel dat niet vanzelfspekend was. Behalve in omvang groeide Linschoten ook in het aantal voorzieningen. Winkeltjes verdwenen weliswaar, maar het aantal verenigingen groeide sterk.

Tussen circa 3500 v. Chr. tot circa 1400 na Chr. stroomde een brede rivier van Montfoort naar Linschoten en Woerden. Over de voormalige stroomrug is later de M.A. Reinaldaweg aangelegd.


Door sloten en weteringen te graven werd het land geschikt gemaakt voor akkerbouw.


Tweemaal werd de St. Janskerk in barnd gestoken: tijdens de Hoekse en Kabeljauwse Twisten en tijdens de Reformatie.   Foto: mei 1968. Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed nr. 25969.




De burgemeester van Utrecht die zijn buitenverblijf in Linschoten liet bouwen. Schilderij van Jan van Bylert (1597-1671). Bron: https://commons.wikimedia.org.


Welvarende Linschotenaren lieten in de 19e eeuw imposante huizen bouwen.


De laatste grote uitbreiding van Linschoten. In Overvliet werden zo'n 560 woningen gebouwd. Foto: Delta-Phot Luchtfotografie